Tijdens je bezoek | Lees

Tijdens je bezoek

Klaar voor je bezoek aan M? Alle teksten en audio die je tijdens je bezoek kan gebruiken, kan je ook digitaal raadplegen. Geniet van M en deel je ervaring met #mleuven.

DOKA

De kunstobjecten van M liggen veilig opgeborgen in het donkere depot, waar een constante temperatuur heerst. Enkel voor een tentoonstelling worden ze bovengehaald, op zaal geplaatst en uitgelicht. Fotograaf en gastcurator Geert Goiris zag daarin een parallel met de donkere kamer of doka, de magische plek waar analoge foto’s ontstaan. In deze presentatie wil hij zorgvuldig gekozen werken uit de hedendaagse kunstcollectie van M laten oplichten uit de duisternis.


De ontwikkeling van een analoge zwart-witafdruk – waarbij enkel rood licht is toegelaten – neemt ruwweg zeven minuten in beslag. Daarna kan het wit licht weer aan om de print te bekijken. De zalen van de tentoonstelling baden één voor één in rood licht en evoceren zo de ervaring van de donkere kamer. Elke zaal in het parcours wordt zeven minuten lang enkel door rode lampen belicht. De monochrome belichting verandert onze ervaring van de werken: kleuren vallen weg en het contrast lijkt toe te nemen. De schaduwen worden dieper, details gaan op in het totaalbeeld. Tijdens de rode fase nemen we de kunstwerken waar op een manier die niet voorzien was. Tegelijk suggereert deze ingreep dat elk beeld een ander in zich draagt.


De rode draad doorheen de tentoonstelling is een zin van dichteres Mary Oliver: ‘Aandacht is het begin van overgave’. Ons tijdperk is gekenmerkt door snelheid, afleiding en kijken zonder op te merken. De ruimtes waar we een groot deel van onze tijd doorbrengen worden vaak bepaald door vastgeroeste gewoontes en routines. De kunstwerken in de tentoonstelling ontwrichten – soms subtiel, dan weer uitgesproken – onze aannames en verwachtingen. Ze nodigen uit om een onbevangen blik te werpen op het bekende en stellen het genot maar ook de noodzaak van aandachtig kijken centraal. DOKA brengt 27 kunstenaars samen in vijf zalen.

 

De kunstwerken behoren tot de collecties van Cera, de Vlaamse Gemeenschap en stad Leuven, beheerd door M.

Alias

In tijden van artificiële intelligentie, fake news of deepfake video’s worden we vandaag meer dan ooit geconfronteerd met de noodzaak om werkelijkheid op een kritische manier van fictie te onderscheiden. Maar in plaats van waan en feiten strikt van elkaar te differentiëren, laten sommige kunstenaars beiden net tegelijkertijd naast elkaar bestaan via hun fictieve alter ego’s. Ze creëren artistieke persoonlijkheden met een eigen biografie en stellen hun fictie voor als feiten.


In ‘Alias’ zijn werken van kunstenaars samengebracht die opereren onder één of meerdere alter ego’s. Door een andere identiteit aan te nemen, raken kunstenaars bevrijd van gender- of culturele kwesties, van de regels van de kunstwereld en het kapitalistische systeem dat namen in merken verandert. Achter alle fictieve kunstenaars schuilt een welbepaalde context. Die bepaalt mee op welke manier hun fictie ingezet wordt en ook waarom. Welke strategieën schuilen achter fictieve kunstenaars? Ontwikkelen ze zich op het niveau van de kunstenaar zelf? Raken ze aan de kunstwereld of ontstaan ze als reactie op de samenleving?


Let op: sommige werken in deze tentoonstelling zijn mogelijk niet geschikt voor alle leeftijden.

 

Curator: Valerie Verhack

 

Namen verbeelden

Kunstenaars die opereren via een fictief alias meten zich een blanco pagina aan: een nieuw begin waarop alles nog open ligt, zelfs de keuze van een naam. Dat is bij fictieve kunstenaars zo goed als niet arbitrair. Een nieuwe naam impliceert een ontsnappen aan alle vormen van voorbestemming, zoals een historische identiteit of aan psychologisch doorgegeven eigenschappen. Maar ook de keuze voor een bestaande generieke naam (John Doe Co., John Dogg) of politieke naam (Janez Janša Janez Janša Janez Janša) kan het reguliere systeem van naamgeving op losse schroeven zetten. Wat is de waarde van een signatuur (Ernest T.) of van een naamstempel (Herman Smit) als visueel teken van authenticiteit, wanneer die bedacht of geplaatst zijn door fictieve kunstenaars? In deze zaal worden werken getoond van fictieve kunstenaars wiens naam een belangrijke rol speelt in onze ervaring of lezing van hun werk.


Het is opmerkelijk dat de westerse beeldende kunstproductie een minder sterke traditie heeft gekend in het gebruik van andere personae, heteroniemen of pseudoniemen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de literatuur. Vanaf de vroege renaissance verschoof de westerse beeldende kunstproductie van een systeem geënt op gilde coöperatieven naar individuele creativiteit. De introductie van de kunstenaarssignatuur valt samen met deze wijziging en binnen deze context weken maar weinig kunstenaars af van hun oorspronkelijke naam. Sindsdien worden kunstenaars namelijk verondersteld kunst te creëren onder hun eigen naam en signatuur, net omwille van de grote symbolische waarde en het culturele kapitaal die ermee gepaard gaan.

 

De blik van fictie

Op een gelijkaardige manier dat de namen van fictieve kunstenaars geen arbitraire labels zijn, zijn de gedaanten die ze aannemen dat doorgaans ook niet. Hoe realiseer je (zelf)portretten van kunstenaars die in wezen niet bestaan?


Het (zelf)portret staat synoniem met bewustzijn en is ook intrinsiek verbonden aan identiteit: het ademt ‘ik besta/ze bestaan’. De complexiteit van wat dat zelf dan precies inhoudt, spelen kunstenaars letterlijk en metaforisch uit aan de hand van betekenaars gekoppeld aan gender, afkomst of cultuur. Een portret kan een feministische kritiek zijn op het beperkende maatschappelijke beeld van wat vrouw zijn betekent (Roberta Breitmore). Of het kan een kritiek vormen op ‘productie’ binnen het kapitalistisch systeem (Claire Fontaine). Een groepsportret kan visualiseren binnen welke domeinen van de kunstwereld je je gaat profileren (Brian O’Doherty). Of het kan een manier zijn voor de kunstenaar om zelf te verdwijnen als auteur ten voordele van het netwerk van verzamelaars dat hem omringt (Philippe Thomas).


Net zoals in wat de werkelijkheid wordt genoemd, is er geen eenduidige waarheid. En in die zin vertonen de (zelf)portretten van fictieve kunstenaars een verwantschap met institutionele kritiek: beide zijn erop gericht om een werkelijkheid bloot te leggen achter de representaties die haar verbergen.

 

De verzameling Yoon-Ja Choi & Paul Devautour

Art Keller, Richard Allibert en Gladys Clover… Het zijn slechts enkele van de vele fictieve kunstenaars die verzameld worden door de Franse kunstenaars Yoon-Ja Choi & Paul Devautour. Tot 1985 creëren beiden kunst onder hun eigen naam, om vervolgens de complexiteit en gelaagdheid te omarmen van verschillende fictieve alter ego’s en rollen binnen de kunstwereld.


In deze zaal wordt een deel van de verzameling Yoon-Ja Choi & Paul Devautour tentoongesteld. Martin Tupper die opereert als kunstenaar, criticus en tegelijkertijd een fictief alias is van Yoon-Ja Choi & Paul Devautour, heeft de opstelling van de collectie bedacht die tegelijkertijd doet denken aan een show room, een stand van een kunstbeurs, of het huiselijke kader van een privé-verzameling.


Martin Tuppers ‘Show Room van de verzameling Yoon-Ja Choi & Paul Devautour’ (1992) vormt een bloemlezing van heel wat artistieke bewegingen en tendensen. Kunstenaar Richard Allibert werkt bijvoorbeeld uitsluitend met readymades: eenvoudige objecten of gebruiksvoorwerpen waaraan niets veranderd wordt. Buchal & Clavel stellen samen het principe van het kunstenaarsduo in vraag. Kunstenaar J. Duplo werkt dan weer uitsluitend met Legoblokjes.

 

Het verleden herschrijven

Een fictieve kunstpraktijk in het leven roepen vandaag, kan ook een impact hebben op het verleden. Door zogezegd historische maar volstrekt fictieve kunstenaars in het leven te roepen met hun eigen context en narratief, wordt er een stukje geschiedenis gecorrigeerd. En hoewel de praktijken van Justine Frank, Darko Maver of Florence Hasard hersenspinsels zijn, willen we als toeschouwer graag geloven in deze verhalen die worden voorgesteld als bewezen feiten.


Hun geschiedenis is samengebracht door de meest uiteenlopende bewijsstukken zoals vintage foto’s en filmfragmenten, persknipsels, documentaires met interviews van betrokkenen, … Niet alleen het creëren van dit bewijs maar ook de manier waarop het wordt tentoongesteld en gecommuniceerd aan een publiek, versterken de waarachtigheid van deze praktijken die het verleden herschrijven.


Ze tonen aan dat de geschiedschrijving niet af is, maar nog steeds in volle ontwikkeling. Een nieuwe versie creëren van wat het verleden zou kunnen geweest zijn, vaak vanuit het standpunt van een onderkende sociale positie, ondermijnt het effect van de historische afstand: alsof de geschiedenis makkelijkheidshalve iets is van lang vervlogen tijden die ons niets aanbelangen.

 

De kunstwereld uitdagen

Fictieve kunst opereert vaak binnen een systeem ontleend aan de werkelijkheid: dat kan de geschiedenis zijn, maar evengoed de hedendaagse kunstwereld.


Verschillende fictieve kunstenaars nemen een loopje met de ongeschreven regels van het zogenaamde kunstsysteem door zich voor te doen als actoren uit die kunstwereld. Zo claimen Leo Josefstein of Hubert Van Es kunstenaars te zijn hoewel ze in werkelijkheid een heel andere autoriteitsfunctie bekleden binnen de Belgische artistieke scène. Uit een fictieve kunstenaar als Emily Feather spreekt dan weer een verlangen naar anonimiteit en het afleggen van het individuele auteurschap.


De anonieme groep kunstenaars Bernadette Corporation neemt een quasi-bedrijfsidentiteit aan om kritiek te uiten op een mondiale cultuur die identiteit construeert door middel van consumptie en branding. Bernadette Corporation brengt in 2005 de gezamenlijk geschreven roman ‘Reena Spaulings’ uit, wat vervolgens aan de basis zou liggen van nieuwe kunstenaarsinitiatieven zoals Henry Codax of het collectief project Reena Spaulings, dat zowel een kunstenaarspersona is als een kunstgalerie gevestigd in New York.

 

De noodzaak van een alias

Fictieve kunst kan prangende maatschappelijke vraagstukken aansnijden zoals cultuur, identiteit, gender, politiek en censuur. Het is maar de vraag of de keuze voor fictief kunstenaarschap mee ingegeven is om een vrijgeleide te zijn voor het overbrengen van een potentieel controversiële boodschap?


De werken in deze zaal getuigen van engagement en van de relevantie van het fictieve kunstenaarschap binnen het maatschappelijke debat. Vormt het fictieve kunstenaarschap een veilige positie om politiek geïnspireerd (Oksana Pasaiko) of expliciet werk (NV Panneel) te creëren? Impliceert het fictieve kunstenaarschap een manier om te verdwijnen als een poging vrij te zijn, zonder veroordeeld of gediscrimineerd te worden (Puppies Puppies (Jade Guanaro Kuriki-Olivo))? Zijn we ons er voldoende bewust van dat de westerse kunstgeschiedenis vaak nodeloos als referentie wordt geprojecteerd op kunstwerken die die traditie niet eens onderschrijven (Suha Traboulsi)? En welke vorm krijgt een fictieve kunstproductie die gecreëerd is binnen de context van een totalitair regime (Charles Rosenthal)?

Sarah Smolders. A Space Begins, With Speaking

Het werk van Sarah Smolders ontstaat in dialoog met een specifieke ruimte en zijn architecturale kenmerken, die ze nauwkeurig observeert en annoteert aan de hand van schilderkunstige ingrepen en elementen. Verschuivingen en toevoegingen die op het eerste zicht nauwelijks waarneembaar zijn, nodigen de toeschouwer uit om te vertragen en de ruimte op een onverwachte manier te bekijken en te ervaren.


De schijnbare eenvoud van deze tentoonstelling omvat een intensief denk- en maakproces in en met de ruimtes van M. Het weghalen van de tijdelijke tentoonstellingsarchitectuur herstelt ruimtelijke verbanden en doorzichten, terwijl specifieke patronen en materiaalmotieven het verhaal van het museumgebouw binnenbrengen.


Precieze toevoegingen en ingrepen nodigen uit om naar de hoeken, randen, plooien, boven- en onderkanten van de tentoonstellingsruimte te kijken. Die ruimtelijke figuren zetten aan om onvolmaaktheden in de ruimte op een andere manier te beoordelen.


Hier in M combineert Smolders voor het eerst een nieuwe ruimtelijke ingreep met residuen van eerdere plaatsgebonden tentoonstellingen. Ze gebruikt die residuen als een eigen ruimtelijk alfabet om de M-ruimtes te lezen en te schalen. Dat ruimtelijk alfabet omvat zowel verwijzingen naar architecturale elementen zoals deuren, ramen of vloeren, als verwijzingen naar de ruimte van het spreken, zoals interpunctie en leestekens. ‘Un Signe’ (2022) in 2.B is zowel een tweedelige afdruk van een raam als een knipoog naar een haakje en een punt, terwijl ‘Concrete, Concrete’ (2018) in 2.A zowel een vloer is die de maat neemt van de M-ruimte, als een met de hand gemaakt schilderij van een tegelvloer van een andere ruimte. 
 

Curator: Eva Wittocx

Zaalzicht 'Open M - Time and Again', M Leuven

Zaalzicht 'Open M - Time and Again', M Leuven, 2022, foto: © Lien Wevers voor M Leuven

Blijf je graag op de hoogte van de initiatieven, activiteiten en tentoonstellingen van M?